  
 


     .         .       .





 

  



      !       , ,   ,     ,     .           .  ,     ,            (      ),     ,  ,     .

     -.  -    ,    , ,   .   :    -   ,        .

    ?    ,  !

  water,   ,   .    .

 huis ()     house ().

kom ()     come ().

    .

    ,      ,   .  -  ,       .     :    ?   :          .    ,     .

, ,     .  :  - ?    - .  ,  -,      ,    .    (  )   ,              .  ,  ,       ,   ,   .  g        ,    .

  





 

 ( )



A a



[]



B b



[]



C c



[] / []



D d



[]



E e



[] / []



F f



[]



G g



[] ()



H h



[]



I i



[]



J j



[]



K k



[]



L l



[]



M m



[]



N n



[]



O o



[]



P p



[]



Q q



[]



R r



[]



S s



[]



T t



[]



U u



[] / []



V v



[] / []



W w



[]



X x



[]



Y y



[] / []



Z z



[]



   .

A a []

   .   ,   .      ,       .  manager   .       .         ,    .

B b []

  .

C c [] / []

  :   ,     .    ,               ,         .

D d []

  .

E e [] / []

       ,    .      .      (  )     .     ,   .     .       ,      .   ?  -  ,     .    ,     .

Za-ken ()  2 .  za ,   .

Man ()  1 .  man ,   .

F f []

  .

G g [] ()

  , .     . ,           .

H h []

   .   .

I i []

  .      ,     ,     .

J j []



  .

K k []



  .

L l []



  ,           .

M m []



  .

N n []



  .

O o []



  .

P p []



  .

Q q []



  [].

R r []

  -      (,  ).     ,    .

S s []

  .

T t []

  .

U u [] / []

 -      .  .        .

V v [] / []

   .       ,       .

W w []

   w.              w.       .

X x []



 .

Y y [] / []

    ,     .

Z z []

  .        .

       G  W.             .      .    :      ,   .    ,         ,   .         .   cadeau ().   ,      .     ,      kado.      ,     .      ,       ,   .

      ,     . Heb (   - )  .

 : man, kop, stuk.

  : , , .

  

Ng    . Jongen () - .

Th     .  h   . Bibliotheek ()  .

Ch    ,   .  ,  ,   ,  g. .    -  ,   - . Lachen () - .     ,    .  ch   , -. hef () - .

Sch     ,        .  ,   . School ()  . Russisch ()  .

Sj       . Meisje ()  , .

Tie    .    ,    . Informatie ()  .

 : ding, thee, traditie, nacht, sjans.

  : , , , , .

  

     .      ,     .         ,  . Brood ()  .

 -   . Kaas ()  .

Uu -   u. Muur ()  .

Ee    ,  ,    .   ,    e   . Apotheek ()  .

Ei   . Klein ()  .

Ai   . Papegaai ()  .   ,      ,  ,    ?       .     . Moza?ek ()  .    ,     .     i      ai.   .   ,   .

Ie     .         .     ie      . Vriend ()  .

        ie,    ,     . Belgi? ()  .

Oe   . Boek ()  .

Eu.     ,   . Neus ()  .

Ou  ouw   ,  . koud ()  . Vrouw () - .

Ij   .          . Tijd ()  .

Ui     .    -,    .         ,       .             ,     . Fruit ()  .

 ieuw    . Snieuw ()  .



 : goed, naam, groot, leuk, goud, wijn, suiker.

  : , , , , , , .

  



ng  

th  

ch  

sch - 

sj  

tie  



  



oo - oo

aa  

uu  

ee  , 

ei  

ai  

ie  

eu  ++

ou  

ouw  

ij  

ui  +, +

eiuw - 



     . ׸           .      .

Man  ()  .

Maan  ()  .

   ,   .

   ?   .

  :

Boot ()  

    ,     :

Na-men ()  

      :

Vis ()  

  

      .       .

1.  :   s.

: appel ()  ? appels () - 

2.    :  en.    .  en   .

: woord () -  ? woorden ()  

3.       eren ().

kind () - ) ? kinderen ()  .

  ?   ,          .     ,  .

 

 :



Huis ()  

Tafel ()  

Boek ()  

Wit ()  

Groot ()  

Kat ()  

Zee ()  

Appel () - 

Klein () - 



  

1  een ()



2  twee ()



3  drie ()



4  vier ()



5  vijf ()        



6  zes ()



7  zeven ()



8  acht ()



9  negen ()



10  tien ()

  

      :      (),       ( ).

  :

Ik lees. ( .)   .



 ik ()   ,     . Lees ()   ,     .

Hij werkt. ( .)   .



Hij ()  ,   . Werkt ()  ,  .

De man zingt. (  .)   .



De man ()  ,   . Zingt ()  ,  .

 

              .

1.   ,      .  Jij leest boeken. (  ).    -   Lees jij boeken? (  ?)   ?.   .

2.       . Het is ( )   -   Is het? ( ?)  ?.       .

       .   : Wil je eten? (  ?)  ?    !



     ,    .      ,   ,    XVII      .   ,          .

 (jaarmarkt  )

  jaarmark    (jaar  , markt  ).       ,   .

 (rugzak  )

  rugzak     (rug  , zak  ).      .

 (stoel  )

  stoel  .        .

 (kostuum  )

  kostuum   .        .

 (kiel  )    .     ,      (   ).

 (matras  )    .

 (slang  )         .  .

   ,        ,   ,     (    ).  ,        .



Ik ()  . : Ik lees. ( .)   .

Jij ()  . : Jij loopt. ( .)   .     je,     .

U ()   (,      ). : U bent. ( .)   .

Hij ()  . : Hij drinkt. ( .)   .

Zij ()  . : Zij zingt. ( .)   .     ze.

Het ()  . : Het werkt. ( .)   .

Wij ()  . : Wij eten. ( .)   .

Jullie ()  . : Jullie slapen. ( .)   .

Zij ()  . : Zij praten. ( .)   .    ze.

 Zij ()     .     ,  .       .     ,  zij   ,   ,   .

 te

 te ()    ,      ,  to   .

Hij begint te praten. (   .)    .

       .  ,     .

Ik kan zwemmen. (  .)    .

 te     ,     ,     .      : kunnen, mogen, moeten, willen, zullen.    te:   !.   te   ,  :   ,    beginnen ,    .  ,      , te    . ,   -  .

 

   :



Huis

Tafel

Boek

Wit

Groot

Kat

Zee

Appel

Klein



- 

   -           ,     ,      .  ,        ,      , .

   .

: je ()   .



: boek ()    boekje ()  .

: tje ()     .     ,       - .



: factuur ()  ,   factuurtje ()  , .

: pje ()     m.



: boom ()    boompje ()  .



 de  een

      : de  een.        ,     .  een    ,    a.   de -    the.

 de ()

  .  ,     - ,  .    ,     .

:



de man ( )    



de vrouw ( )    



de tafel ( )    

 een ()

  .  ,    - .     ,    .

:



een man ( )  - 



een vrouw ( )  - 



een tafel ( )  - 

    -  - ,   een.      de,          (    ).

: Ik koop een tafel. (   ).   .

De tafel is groot. (   ).  .

      ,     ,     .   ,   ,     .    ,        ,  .        de.     .   ?    -  ,    -  .

  11  20

 11  12   ,   .   13  19   :   + tien (),   "".

11  elf ()



12  twaalf ()



13  dertien ()



14  veertien ()



15  vijftien ()



16  zestien ()



17  zeventien ()



18  achttien ()



19  negentien ()



20  twintig ()

 :

Ik zie elf huizen. (   .)     . Zij heeft twaalf appels. (   .)     . Hij eet om dertien uur. (    .)      .

 

  :























 -:  ,  ,  ,  ,  .

 : , , 

        :    (),   ( ),      (/).

:

Ik lees een boek. (   .)    .



Zij koopt brood. (  .)    .



Wij vinden het huis. (   .)    .

 1

Ik zie een huis. Het huis is goed. Jij leest een boek. Wij hebben een tafel. De man zingt.

   .    .    .    .   .

  .  .   .    .  .

   

     ,    ,              (   de).        het.         (  ):

de secretaris ( )   (..)



de secretaresse ( )   (..)

de assistent ( )   (..)



de assistente ( )   (..)

de vriend ( )   (..)



de vriendin ( )   (..)

de leraar ( )   (..)



de lerares ( )   (..)

de buurman ( )   (..)



de buurvrouw ( )   (..)

de acteur ( )   (..)



de actrice ( )   (..)



   :



-ess   secretaresse



-ent   assistente



-es   lerares



-r   actrice



-in   vriendin



-vrouw   buurvrouw

  

        .         .    ()     ?.        -en. : lezen () - , werken () - , praten ()  .

  

     ik () - .   ,      -en  . : werken ()    ik werk ( )   .

    - Jij ()    U ()   (      .   -t   . : jij werkt ( )   . U werkt ( )   .

    - hij ()  , zij ()    het () - .    -t   .   ,    . : hij werkt ( )   . Zij werkt ( )   . Het werkt ( )    (    ).

   . Wij ()  .   ,       (  ).           en. : Wij werken ( )   .

   . Jullie ()   ( ). Jullie werken ( )   .

   . Zij ()  . Zij werken ( )   .



  :



 openen ()



Ik open ( )   



Jij opent ( )   



Hij opent ( )   



Wij openen ( )   



Jullie openen ( )   



Zij openen ( )   



  :



Ik open het boek. (   )    .



Hij opent het huis. (   )    .



Wij openen het restaurant. (   )    .



 ,  zij ()  zij () !  ,   ?   .  zij opent,   ,  zij openen,   .



Ik werk in het huis. (    ).    .  :    .

Hij heeft een kat. (   ).    .  :    .

Ik ben een student. (   ).   .  :   .

 het

     .       . ,     :

Een   .    , ,  ,   .     ,    .

De   .            .    ,    .

Het   .     ,     .     ,    .



 ,      :

1)        (   de), 

2)      (   het).

   ,       .   -       .        ,        .           .      .  ,  - het meisje ( ),    .

      h   .  het hotel ()        .

    zullen 

 zullen     will.      .            zal,     zult,    zal.     - zullen.



 :



ik zal ( ) -  

jij zult ( ) -  

u zult ( ) -   ( )

hij zal ( ) -  

zij zal ( ) -  

het zal ( ) -  



 :



wij zullen ( ) -  



jullie zullen ( ) -  



zij zullen ( ) -  

 :

Jij zult lezen. (  ) -   .



U zult werken. (  ) -   .



Hij zal praten. (  ) -   .



Wij zullen leren. (  ) -   .

 

    -  -.    : ? ? ? ?

  

mijn ()  , , , 



jouw ()  , , , 



uw ()  , , ,  ( ,      )



zijn ()      ,  hij  ,   ,  het  , 



haar ()  



ons ()  , ,  ( )



onze ()   ( )



jullie ()  , , ,  ( )



hun ()  

:

mijn boek ( )   



jouw huis ( )   



zijn fiets ( )   



haar tafel ( )   



ons kind ( )   



onze kinderen ( )   



jullie werk ( )   



hun auto ( )   

 

 ons        . : ons huis ( ).  onze        (      de-)        (de-)   . : onze tafel ( ), onze huizen ( ).

        jouw. : je boek ( )  jouw boek.       .

 jullie           .   jullie,    jullie.



Ik zal dansen. (  ).   .  :   .

Jullie zullen zwemmen. (  ).   .  :   .

Hij zal praten. (  ).   .  :   .



, 

       .     1  9,     -tig ().  -tig      -ty  u -zig.        ,  "".         -.  -tig ()    .   .

20  twintig ()

30  dertig ()

40  veertig ()

50  vijftig (a)

60  zestig ()

70  zeventig ()

80  tachtig ()

90  negentig ()

         :



drie ()  der-  dertig



vier ()  veer-  veertig

 tachtig (80)      .   ,      t.

 :

Ik heb twintig boeken. (   )     .

Zij werkt dertig uur. (   )     .

Hij is veertig jaar. (   )    .

Tachtig mensen ( )   .



        .        geen ().  ,    ,    -  .     .

:

Ik heb geen boek. (   )     .

Zij drinkt geen koffie. (   )     .

     niet ().            ,     .

:

Wij hebben geen tijd. (   )     .  geen   tijd.

Ik begrijp niet. (  )    .  niet   begrijp.

Hij loopt niet snel (   )     .  niet   snel.

:  geen,    ( geen   ),  niet,    ( niet   ),    ( niet   ).      .    .

Ik drink niet thee. (   ).    . -   .

  ? Ik drink niet  ,       .       ,  niet  .       ,      ,  ,   geen:

Ik drink geen thee. (   ).    . -   .



       ,  - - .

 :  s  

    ,      s. :



oma's jas ( )   .



opa's hoed ( )   .



Anna's boek ( )   .



Mona's tas ( )   .

 :  van

 van ()   .      . :



de fiets van mij (   )   .



het boek van jou (   )   .



de auto van Karel (   )   .



de tas van de vrouw (    )   .

:

Dit is de tas van Anna. (     )    .



Dat is het boek van mij. (     )    .



Hier is oma's huis. (   )    .



Daar is opa's auto. (   )    .



 :  

        .       .       .     :    .  :    !

         ( ),       .   ,            .

:

Ik wil een boek lezen. (    )     .

Hij kan Nederlands spreken. (   )     -.

Wij zullen hier moeten werken. (    ).     .         ,   .

 

    ,        :  ( )   ( ).

    ,     ,   .     te de,   :

Ik werk. ( )   .    .

Ik werkte. ( )   .     ,    te.

    .      hebben ()  zijn ()         :



Ik heb gewerkt. (  )    (  ).    ,  ge   t.          Ik gewerkt.

   

         (, "Lees jij?"    ?),            .    :  ,    .

  :

wat ()  



wie ()  



waar ()  



hoe ()  



waarom ()  



wanneer ()  



welk ()  



hoeveel ()  

    

     .     (),  .          .

:

Wat lees jij? (  )    ?



Wie is dat? (  )   ?



Waar woon jij? (  )    ?



Hoe gaat het? (  )   ?

Waarom lach je? (  )    ?

Wanneer kom je? (  )    ?

Welk boek lees jij? (   )     ?

Hoeveel jaar ben je? (   )    ?

 :  

        .   :   ,   gaan    zullen.         .

 :   

        .     ,    ,     .       (,   ,  ).

:

Morgen ga ik naar school. (    )      .



Volgende week werk ik thuis. (    )       .



Vanavond eet ik met vrienden. (    )       .

 : gaan + 

 gaan (, )         .     going to.   ,    .

:

Ik ga Nederlands leren. (   )     .



Hij gaat een boek lezen. (    )     .



Wij gaan morgen reizen. (   )     .



Zij gaat verhuizen. (  )    .

 : zullen + 

 zullen   ,     .       .

:



Ik zal je helpen. (   )     ().



Het zal morgen regenen. (   )     ().



Zij zullen later komen. (   )    .

  :

   ,      (,   ).   gaan      .   zullen   ,     .

     :

Ik werk morgen. (  )     (  ).



Ik ga morgen werken. (   )      ( ).



Ik zal morgen werken. (   )      (  ).

       .        ( ),          .   gaan  ,    .  zullen    .

 2

Ik heb een vriend. Zijn naam is Fred. Hij is student. Hij woont in een groot wit huis. Hij is twintig jaar. Hij heeft een mooi kat. We vinden het leuk om te wandelen.

   .    .   .       .    .     .       .

   .   .  .      .   .     .   .

 

    :  (? ?),  (? ?)   (? ?).




  .


   .

   ,     (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=73989704)  .

      Visa, MasterCard, Maestro,    ,   ,     ,  PayPal, WebMoney, ., QIWI ,       .


