Kaukasische vertellingen

- -
- 100%
- +
Twee officieren zaten onder den proviandwagen kaart te spelen op een reiskoffer.
Ik luisterde nieuwsgierig naar de gesprekken der officieren en soldaten, ik ging met een oplettend oog de uitdrukking hunner gezichten na. Maar stellig kon ik bij geen hunner ook maar de schaduw van de ongerustheid, die ik zelf gevoelde, opmerken: uit hun grappen, hun gelach, hun verhalen sprak eene volmaakte onverschilligheid en onbezorgheid voor de dreigende gevaren. Zij schenen er zelfs niet aan te denken dat menigeen hunner niet meer langs dien weg zou terugkeeren.
V
Des avonds om zeven uur kwamen wij, geheel bestoven en vermoeid, de groote, versterkte poort van de vesting N*** binnen. De ondergaande zon wierp schuine rose stralen op de schilderachtige batterijen en op de tuinen met de hooge populieren, die de vesting omgaven, op de bebouwde, geelachtig schemerende velden en op de witte wolken, die zich langs de besneeuwde bergtoppen opstapelden, alsof zij het hen wilden nadoen en daar een tweede, niet minder wonderlijke en schoone keten vormen. De kleine sikkel der wassende maan verscheen aan den horizon als een doorzichtig wolkje. In den aul,5 aan de poort van de vesting gelegen, riep een Tartaar boven van het dak zijner leemen hut de vromen op tot het gebed. De zangers zetten met nieuwen moed in.
Na wat toilet gemaakt te hebben en een weinig uitgerust te zijn, begaf ik mij naar een mijner vrienden, een adjudant, om hem te verzoeken den generaal mijn voornemen mee te deelen. Buiten gekomen, had ik gelegenheid in de vesting een schouwspel te zien, dat ik daar niet zou verwacht hebben. Een koket rijtuig voor twee personen passeerde mij; ik zag een elegant vrouwenhoedje en ving enkele brokken van een gesprek in het Fransch op. Uit het openstaande venster van het huis van den kommandant klonken de tonen van een of andere „Liesjes” of „Kaatjes” polka, die op een ontstemde piano gespeeld werd. Toen ik voorbij een café kwam, zag ik daar eenige schrijvers zitten met de sigarette in den mond en een flesch wijn voor zich, en ik hoorde een hunner zeggen: „Houdt mij ten goede… wat de politiek betrof, was Maria Grigorieffna bij ons de eerste…” Een oude jood met een versleten jas aan en een ziekelijk voorkomen, torschte met moeite een valsch draaiorgel, en over de geheele voorstad klonk de finale van Lucie de Lammermoor.
Twee vrouwen in ruischende japonnen, zijden foulards om den hals en hel gekleurde parasols in de hand, bewogen zich met lichten gang vóór mij op het houten trottoir. Twee jonge meisjes, de eene in eene hemelsblauw, de andere in eene rose kleedje, stonden blootshoofds voor een huisje en lachten op een schelle en gedwongen manier, blijkbaar om de attentie te trekken van de officieren, die voorbijgingen. De officieren in nette uniform, met witte handschoenen en glinsterende epauletten stapten trots over straat en den boulevard.
Ik vond mijn vriend in de beneden-verdieping van het huis des generaals. Nauwelijks had ik mijn verlangen meegedeeld, en hij mij verteld, dat daar geen bezwaren tegen waren, of wij zagen voor het venster, waaraan wij stonden praten, het kokette rijtuig, dat ik daareven gezien had. Het hield stil en er steeg een slank, zeer statig man uit in de uniform van de linietroepen, met majoors-epauletten. Hij ging bij den generaal binnen.
– Excuseer mij, zeide de adjudant, ik moet hem bij den generaal gaan aandienen…
– Wie is er dan aangekomen? vroeg ik.
– De gravin, antwoordde hij terwijl hij zijne uniform dichtknoopte, en vlug liep hij de trap op.
Een paar minuten later kwam er een gezet, maar knap man, met een jas zonder epauletten en een wit kruis in het knoopsgat op het bordes. De majoor, de adjudant en twee andere officieren volgden hem. Uit den gang, de stem en al de bewegingen van den generaal bleek duidelijk, dat hij doordrongen was van zijn hooge waarde.
– Bonsoir, madame la comtesse, zeide hij en reikte haar door het portier de hand.
Een kleine, met fijn hondenleer gehandschoende hand drukte die van den generaal, en een lief, lachend gezichtje werd onder een gelen hoed in de opening zichtbaar.
Van het geheele gesprek, dat slechts een paar minuten duurde, hoorde ik in 't voorbijgaan alleen den generaal glimlachend zeggen:
– Vous savez que j'ai fait voeu de combattre les infidèles, prenez donc garde de le devenir.6
Er klonk een heldere lach in het rijtuig:
– Adieu donc, cher général.
– Non, au revoir, zeide de generaal, terwijl hij de trap opging. Denk er om, dat ik mijzelven inviteer voor de soirée van morgen.
Het rijtuig reed weg.
– Dat is nu een man, dacht ik op den terugweg, die alles heeft wat een Rus begeert: een graad, rijkdom, hoogen adel; en die man staat daar, den dag voor een veldslag, die God weet hoe zal afloopen, te gekscheren met een lieve vrouw, en belooft haar, den volgenden avond op de thee te komen, alsof hij haar op een bal had ontmoet.
Ik vond bij den adjudant ook nog een jongen man, over wien ik mij nog meer verwonderde; het was een luitenant van het regiment K***, die zich onderscheidde door zoo zachtmoedig en zoo verlegen als een jong meisje te zijn. Hij was naar den adjudant gekomen om zijn spijt en zijn verontwaardiging te uiten tegen anderen die, naar hij beweerde, tegen hem intrigeerden, opdat hij geen deel zou nemen aan de expeditie. Hij zeide dat het laag was aldus te handelen, dat het van weinig kameraadschap getuigde, dat hij het zou onthouden, enz.
Hoe scherp ik zijn trekken bestudeerde, hoe aandachtig ik naar den klank zijner stem luisterde, ik moest erkennen, dat hij niet veinsde. Hij was werkelijk diep verontwaardigd en bedroefd, dat hij niet in de gelegenheid zou zijn, op de Tscherkessen te schieten en aan hun schoten bloot te staan. Hij was kwaad, evenals een kind, dat onverdiend klappen heeft gekregen… Mij was dat alles totaal onbegrijpelijk.
VI
Om tien uur 's avonds moet de colonne zich op marsch begeven. Om half negen steeg ik te paard en begaf mij naar den generaal; maar, veronderstellende dat hij en zijn adjudant het druk zouden hebben, steeg ik op straat af, maakte mijn paard aan de palissaden vast en ging op de javalinka7 zitten, om mij bij den generaal te voegen zoodra hij buiten zou komen.
De warmte en de zonnegloed hadden reeds plaats gemaakt voor de koelte van den nacht en het matte licht der wassende maan, die rondom zich een bleek-lichtenden kring op het blauw van den hemel vormde en reeds begon onder te gaan. Door de vensters der huizen en door de spleten in de blinden der hutten schemerde licht. De slanke populieren, die zich in de verte achter de witgekalkte, door het maanlicht beschenen hutjes met de stormdaken verhieven, schenen zwarter en hooger. De lange schaduwen der huizen der boomen en heggen teekenden zich bevallig af tegen den helderlichten, stoffigen weg. Het gekrijsch der kikvorschen weerklonk boven de rivier.8 Op straat hoorde men nu eens snelle schreden, dan enkele woorden van een gesprek of den galop van een paard. Van den kant der voorstad drong van tijd tot tijd de melodie van een draaiorgel door, nu eens een bekend lied uit de Ukraine, dan weer de een of andere „Aurora-Walzer.”
Ik zal niet zeggen waar ik aan dacht: ten eerste zou ik mij schamen te bekennen, dat het sombere gedachten waren, die mij onafweerbaar beslopen, terwijl ik rondom mij niets dan vreugde zag; en ten tweede heeft dat ook weinig met mijn verhaal te maken. Ik was zoo in gedachten verzonken, dat ik niet eens bemerkte, dat de klok elf uur sloeg en de generaal met zijn geheele gevolg mij voorbijreed.
De achterhoede was nog in de vestingpoort. Niet dan met moeite kon ik mij op de brug een weg banen tusschen de opeengedrongen kanonnen, de kruitwagens, de proviandwagens en de officieren, die luide hun orders gaven, door. Toen ik buiten de poort was, draafde ik langs den troep, die zich over een lengte van een werst uitstrekte, en bereikte den generaal. Terwijl ik voorbij de artillerie reed, die in prachtige orde voorttrok en de officieren, die er te paard tusschen reden, hoorde ik, als een groven dissonnant in deze plechtige harmonie de ruwe stem van den Duitscher. Hij riep: „Achtillechist geef me de lont,” en de stem van een soldaat zeide dienstvaardig: „Schwerefftschenko, de heer luitenant wenscht vuur.”
Het grootste deel van den hemel was langzamerhand bedekt met lange, sombere, grijze wolken; slechts hier en daar schitterde mat eene ster daartusschen. De maan was reeds achter de zwarte bergen rechts aan den horizon verdwenen, en wierp over hun toppen heen een zwak, trillend schemerlicht, dat toch scherp afstak tegen het ondoordringbare duister aan hun voet. De lucht was zoo stil en zoo warm, dat er geen enkel grassprietje, geen wolkje bewoog. Het was zoo duister, dat men zelfs de dingen in de naaste omgeving niet onderscheiden kon. Rechts en links van den weg zag ik nu eens rotsen, dan weer dieren, dan weer menschen van vreemd voorkomen – en ik merkte eerst dat het struiken waren, als ik ze hoorde ritselen en de koude dauw voelde, die aan haar bladeren hing. Voor mij zag ik een compacte, golvende, donkere massa zich voortbewegen, en daar achter eenige beweeglijke vlekken: het was de voorhoede te paard, en de generaal met zijn gevolg. In de heele colonne heerschte zulk een stilte, dat men duidelijk al de wegstervende, geheimzinnige geluiden van den nacht kon hooren: het verre, klagende gehuil der jakhalzen, dat nu eens klonk als wanhopig geschrei, dan weer als gelach; het eentonige, schelle gesjirp van krekels, het krijschen der kikvorschen, het slaan der kwartels, een niet te beschrijven gebrom dat steeds nader kwam, en heel dat bijna onmerkbaar nachtelijk leven der natuur, dat men evenmin kan begrijpen als weergeven: dat alles smolt samen tot een enkelen toon, den vollen harmonischen toon, dien wij de stilte van den nacht noemen. Die stilte wisselde af of liever vermengde zich met het dof gedreun der hoeven en het geritsel van het hooge gras, dat platgetrapt werd door de langzaam voorwaarts gaande colonne.
Slechts een enkelen keer hoorde men het gerol van een zwaar kanon, het kletteren der tegen elkander stootende bajonetten, onderdrukt gepraat en het brieschen van paarden.
De natuur ademde eene schoonheid en eene kracht, die tot kalmte stemden.
Is den menschen dan werkelijk het leven te eng op deze schoone aarde, onder den oneindigen sterrenhemel? Hoe kunnen temidden dezer verrukkelijke natuur in de ziel des menschen gevoelens van woede en wraak en hartstocht om zijn naasten te vernietigen, bestaan? Al het kwade, dat er woelt in het menschelijke hart moest, dunkt mij, verdwijnen bij de aanraking met de natuur – deze rechtstreeksche uitdrukking van het schoone en goede.
VII
Wij zaten reeds meer dan twee uur te paard. Ik voelde een lichte huivering van kou en de slaap beving mij. In de duisternis zag ik dezelfde donkere dingen onduidelijk voor mij: op geringen afstand zag ik den zwarten muur en de zwarte bewegelijke vlekken; zeer dicht naast me den rug van een schimmel, die met den staart sloeg, een rug in een wijden tscherkeska, waarover een geweer in zwart foedraal en de witte greep van een pistool in een gelapten pistoolholster, het vuur van een cigaret, dat een blonden knevel, een beverkraag en een gehandschoende hand verlichtte. Ik boog mij over den hals van mijn paard, sloot de oogen en sluimerde een oogenblik in.
Eensklaps werd ik wakker door het bekende geluid van hoefslagen en door geruisch; ik zag om en een oogenblik leek het alsof ik op mijn plaats bleef en de zwarte muur vòòr me op me toekwam. Ik hoorde een dichtbij komend dof gebrom, dat ik mij niet had kunnen verklaren: het was het geruisch van water. Wij waren nu in een hollen weg en naderden een bergstroom, die juist op het sterkst gezwollen was.
Het gedruisch werd sterker, het natte gras werd dichter en hooger, de struiken werden zeldzamer, de horizon steeds beperkter. Van tijd tot tijd zag men tegen den donkeren achtergrond der bergen op verschillende plaatsen heldere vuren opschieten en even snel weer verdwijnen.
– Zeg me toch eens, wat die vuren beteekenen? vroeg ik fluisterend aan den Tartaar, die naast mij reed.
– Weet gij dat dan niet? vroeg hij.
– Neen.
– Het zijn brandende bossen stroo, die de bergbewoners aan een stok heen en weer zwaaien.
– En waarvoor?
– Opdat iedereen wete, dat de Rus in aantocht is. Nu zitten zij in de dorpen te beven! Alle have en goed zullen ze in de bergkloven wegstoppen, voegde hij er lachend bij.
– Maar weten zij dan al, dat de troep in aantocht is?
– Wel ja! hoe kan het ook anders? Zij weten het altijd. De onzen zijn zulk een raar volk!
– Dus maakt Schamyl zich nu strijdvaardig? vroeg ik.
– Neen, antwoordde hij en schudde met het hoofd ten teeken van ontkenning. Schamyl zal niet meevechten. Schamyl zal er zijn nahibs9 op afsturen, en zal zelf, boven op een berg, door een verrekijker zitten turen.
– Woont hij ver weg?
– Neen, niet ver. Misschien tien wersten daar links.
– Hoe weet gij dat? Zijt gij er soms geweest?
– Ja. Onze mannen zijn allen in de bergen geweest.
– En hebt gij Schamyl gezien?
– O, wel neen! Schamyl krijgen wij niet te zien. Honderd, driehonderd, duizend wachters zijn om hem en middenin is Schamyl, zeide hij, met een uitdrukking van overdreven eerbied.
Als men omhoog keek, kon men merken dat het aan den helder wordenden hemel reeds licht begon te worden. Maar in de bergengte, waarin wij voorttrokken, was het nog donker en vochtig.
Eensklaps schitterden er, dicht voor ons, lichtstralen in de duisternis. In hetzelfde oogenblik zwermden kogels fluitend door de lucht en midden in de stilte rondom ons klonken knallende geweerschoten en schelle kreten. Het was een piket van de voorhoede des vijands. De Tartaren, waaruit het piket bestond, hadden op goed geluk geschoten onder het slaken van een oorlogskreet, en stoven toen uit elkaar.
Algemeene stilte weer rondom ons. De generaal riep den tolk. Een Tartaar, in den witten rok der Tcherkessen, ging naar hem toe, en sprak fluisterend en met drukke gebaren langen tijd met hem.
– Kolonel Chassanoff, laat de tirailleurslinie uitzwermen, zeide de generaal met gedempte, langzame, maar zeer duidelijke stem.
Het detachement bereikte de rivier, de zwarte bergen en de bergkloof achter zich latend. De dag begon aan te breken. De hemel, waaraan hier en daar nog een enkele bleeke ster te zien was, scheen nu hooger geworden te zijn; in het oosten gloeide het morgenrood hel op. Een frissche, doordringende bries woei uit het westen en een lichte nevel steeg als damp boven de bruischende rivier op.
VIII
De gids wees een doorwaadbare plaats, en de voorhoede der ruiterij passeerde de rivier, spoedig gevolgd door den generaal en zijn staf. Het water sloeg de paarden tegen de borst, en stortte zich met buitengewoon geweld tusschen de witte steenen door, die hier en daar uit het watervlak omhoog staken; tusschen de beenen der paarden vormde het een dwarrelende schuimende kolk. De paarden aarzelden bij het ruischen van het water, hieven den kop op en spitsten de ooren; langzaam en voorzichtig stapten zij over den ongelijken bodem tegen den stroom in. De ruiters beurden hun beenen en hun wapens in de hoogte. De infanteristen letterlijk tot op het hemd toe uitgekleed, hielden hun kleederen aan de punt van het geweer in de hoogte; bij troepen van twintig grepen ze elkaar bij de hand en trachtten zij tegen de strooming in te gaan; de inspanning stond hun op het gelaat te lezen. De artilleristen joegen, met luid geschreeuw, hun paarden in vollen draf de rivier in. De kanonnen en de groene kruitwagens, waar het water af en toe overheen spatte, ratelden over den steenachtigen bodem. Maar de moedige Kozakkenpaardjes trokken wakker aan de strengen, kliefden den schuimenden vloed en klommen met druipende manen en staart, op den anderen oever.
Toen de overtocht volbracht was, drukte het gelaat van den generaal plotseling een zeker ernstig nadenken uit. Hij liet zijn paard zwenken, en, door de cavalerie gevolgd, draafde hij dwars over een door het bosch begrensde weide heen, die zich voor ons uitstrekte. Bereden Kozakkenpatrouilles zwermden langs den woudzoom.
Tusschen de boomen dook een man te voet in een tscherkeska en met een muts van schapenvel op, toen nog een, daarop nog een… Een der officieren zeide:
– Het zijn de Tartaren.
Daar werd ook een rookwolkje zichtbaar achter een boom… Een geweerschot, nog een… Ons sneller schieten overstemde het vijandelijke vuur. Slechts van tijd tot tijd bemerken wij aan het gefluit van een kogel, over ons hoofd, een geluid als het gegons van eene bij, dat niet alle schoten van ons komen. Daar rukken de infanteristen in den looppas en de kanonnen in vollen draf aan naar de vuurlinie. Men hoort het dreunend kanongedonder, den metaalklank van de voortvliegende kartets, het gesis der houwitsers, het knetteren der geweren. De cavalerie, de infanterie en de artillerie duiken van alle kanten op de uitgestrekte weide op.
De rookwolkjes der kanonnen, der houwitsers en der geweren vloeien samen en worden één met het door dauw bedekte groen en den nevel. Kolonel Chassanoff galoppeert naar den generaal en doet zijn paard in vollen gang met een ruk stilhouden.
– Excellentie, zegt hij en brengt de hand aan de muts, beveelt u dat de cavalerie een charge zal doen? Er zijn veldteekens10 opgestoken.
En met zijn karwats wees hij naar de Tartaarsche ruiters, die voorafgegaan werden door twee mannen, welke, op witte paarden gezeten, roode en blauwe lappen aan de lansen droegen.
– Ga met God, Ivan Michaïlovitsch, zegt de generaal. De kolonel laat zijn paard zwenken, trekt zijn sabel en roept: – Hoera!
– Hoera! hoera! hoera! klinkt het uit de gelederen, en de cavalerie stormt hem na.
Allen zien vol belangstelling toe; daar is een veldteeken, nog een, nog een…
Zonder de charge af te wachten, verdwijnt de vijand in het bosch en opent vandaar een goed onderhouden geweervuur. De kogels vallen steeds dichter.
– Een charmant gezicht! zegt de generaal, terwijl hij zijn dunbeenigen volbloed op Engelsche wijze op en neer laat huppelen.
– Charmant! antwoordt de majoor, de „r” latende rollen, geeft zijn paard een slag met de karwats, en rijdt naar den generaal. „Men zou voor zijn plezier oorlog voeren in zulk een mooi land,” zegt hij.
– En vooral in zulk aangenaam gezelschap, voegt de generaal er met een vriendelijk lachje bij.
De majoor boog.
Op dit oogenblik vliegt met een snel, hatelijk sissen een kogel voorbij en slaat ergens in. Achter mij hoor ik het gekerm van een gekwetste. Dit gekerm doet mij zoo vreemd aan, dat het geheele militaire schouwspel in eens al zijne bekoorlijkheid voor mij verliest; behalve ik schijnt niemand dat echter te merken: de majoor lacht luidkeels, een ander officier begint rustig een afgebroken zin opnieuw. De generaal kijkt een anderen kant uit, en zegt, met het kalmste glimlachje van de wereld, eenige woorden in het Fransch.
– Beveelt gij dat wij hun vuur beantwoorden? vraagt de chef der artillerie, terwijl hij in galop nadert.
– Ja, maak ze maar eens bang, zegt de generaal en steekt nonchalant eene sigaar op.
De batterij stelt zich in positie en het vuur begint. De grond dreunt van den donder van het geschut. Onafgebroken bliksemt het vuur en de rook wordt zoo dik, dat men nauwelijks de manschappen ziet, die de stukken bedienen.
Het dorp wordt gebombardeerd. Kolonel Chassanoff komt weer aanrijden, en op bevel van den generaal, rent hij naar het dorp. Het krijgsgeschreeuw klinkt opnieuw, en de cavalerie verdwijnt onder de wolken van stof, die zij opjaagt.
Het schouwspel was werkelijk grootsch. Voor mij echter, die er geen deel aan had genomen en weinig vertrouwd was met oorlogszaken, was er iets dat den algemeenen indruk bedierf: de indruk dat al die bewegingen, van al die drukte en dat geschreeuw, eigenlijk nutteloos waren. Onwillekeurig kwam de vergelijking mij voor den geest van een man, die uit alle macht met zijn bijl de lucht klieft.
IX
Het dorp was reeds door de onzen bezet en er was geen enkele vijand meer te bekennen, toen de generaal kwam aanrijden met zijn gevolg, waarbij ik mij ook gevoegd had.
Het dorp bestond uit lange, nette hutten met leemen platte daken, gebouwd op ongelijke, steenachtige heuvels, waartusschen een beekje doorkronkelde. Aan den eenen kant zag men, in het felle licht der zon, groene tuinen met pere- en pruimeboomen; aan den anderen kant rezen vreemde schaduwen omhoog: de loodrecht staande, groote steenen van een kerkhof, en lange houten staken, van boven met een bal en veelkleurige vlaggen: het waren de graven der militaire hoofden.
De troepen hadden zich in goede orde voor de poort opgesteld.
Een minuut later verspreiden de dragonders, de kozakken en het voetvolk zich zichtbaar verheugd in de bochtige straten, en er komt onmiddellijk leven in het verlaten dorp. Hier ziet men een dak instorten of een planken deur onder de slagen der bijlen bezwijken, daar brandt een hooimijt, een haag of een huis. Een dikke rook stijgt kronkelend op in de heldere lucht. Daar komt een Kozak aansleepen met een zak meel en een tapijt. Een soldaat draagt met een gelaat, dat van vreugde straalt, een blikken kom en een gescheurden doek uit een hut. Een ander tracht, met uitgestrekte armen, twee kippen te grijpen, die kakelend tegen een heg opvliegen. Een derde heeft ergens een kolossale kruik met melk gevonden, drinkt er uit en werpt haar vervolgens, luidkeels lachende, tegen den grond.
Het bataillon, waarmee ik het fort N*** had verlaten, was ook in het dorp. De kapitein zat op het dak van eene hut rookwolken uit zijn korte pijp te blazen, met zulk een onverschillig gezicht, dat ik heelemaal vergat, dat wij in een vijandelijk dorp waren en het idee kreeg dat ik thuis was.
– Zoo! zijt gij daar ook! riep hij toen hij mij zag.
De hooge gestalte van luitenant Rosenkranz zag men nu hier, dan daar in het dorp. Hij liep onophoudelijk orders te geven, met het voorkomen van iemand, die het erg druk heeft. Ik zag hem, met een ernstig gezicht, uit een der hutten komen: achter hem sleepten de soldaten een geboeiden, ouden Tartaar voort. De grijsaard, die enkel gekleed was met een gescheurden, veelkleurigen kiel en een gescheurde broek, was zoo gebrekkig, dat zijn magere armen, stevig op den rug vastgebonden, nauwelijks aan zijn schouders schenen vast te zitten en hij kon zijn naakte en verdraaide voeten nauwelijks verzetten. Zijn gelaat, en zelfs een gedeelte van zijn kaalgeschoren hoofd, was met diepe rimpels doorploegd. Zijn tandelooze, scheeve mond bewoog onophoudelijk tusschen zijn grijzen baard en knevel, alsof hij op iets kauwde. Maar zijn oogen glinsterden nog tusschen de ontstoken oogleden; men las er duidelijk de onverschilligheid van den ouderdom voor het leven in.
Rosenkranz vroeg hem, door tusschenkomst van den tolk, waarom hij niet met de anderen was gevlucht.
– Waar zou ik heengaan? vroeg hij, terwijl hij rustig rondkeek.
– Waar de anderen zijn! riep iemand.
– De krijgslieden zijn tegen de Russen uitgetrokken, maar ik ben een oud man.
– Zijt gij dan niet bang voor de Russen?
– Wat kunnen de Russen mij doen? Ik ben een oud man, herhaalde hij en liet bedaard zijn blik over de omstanders gaan.
Toen ik er weer voorbijkwam, zag ik den grijsaard zonder muts, altijd nog gebonden, bibberend achter een Kozak op een paard zitten, en nog steeds met dezelfde onverschilligheid rondkijken. Men hield hem voor het uitwisselen der krijgsgevangenen.
Ik klom op het dak en ging naast den kapitein zitten.
– De vijand was niet talrijk, zeide ik, nieuwsgierig om te weten wat hij van het gevecht dacht.
– De vijand? herhaalde hij verwonderd; er was er in het geheel geen. Kan men dat een vijand noemen? Daar, gij zult eens zien, van avond, als wij ons terugtrekken, wat een uitgeleide hij ons geven zal. Daar zullen zij vandaan komen! en hij wees met zijn glas naar het bosch, dat wij dien morgen doorgetrokken waren.
– Wat is dat? viel ik den kapitein ongerust in de rede, en wees hem op eenige Donsche Kozakken, die niet ver van ons om iets heen stonden.
Uit hun midden stegen kreten op als van een klein kind, en de woorden:
– He, slaat niet! Houdt op!.. Men zou het zien… Gij hebt een mes, Evstignieitsch… Geef mij uw mes!
– Zij zijn bezig het een of ander te verdeelen, de deugnieten, zeide de kapitein rustig.
Op hetzelfde oogenblik kwam eensklaps de mooie vaandrig achter een hoek te voorschijn; met een rood, opgewonden gezicht en met de armen zwaaiend snelde hij op de Kozakken toe:



